In de volgende afdeling worden de principes beschreven om producten in vloeibare vorm, korrelvorm of poedervorm als bulkgoederen of detailhandelsverpakkingen enz. te bemonsteren. Pas de hieronder beschreven procedures toe, tenzij er specifieke procedures van toepassing zijn op de producten.
1. Monsterneming van vloeistoffen
Deze afdeling betreft de monsterneming van homogene vloeibare producten op omgevingstemperatuur.
Als de producten vanwege hun aard niet homogeen zijn, moeten ze homogeen worden gemaakt door ze te mengen, te schudden met een vloeistofpomp in beweging te brengen enz. voordat u ze bemonstert. Als ze niet homogeen kunnen worden gemaakt, moet u een groter aantal ondermonsters op verschillende diepten nemen om te waarborgen dat u een
representatief monster verkrijgt.
1.1 Monsterneming uit tanks
Dompelvaten kunnen worden gebruikt om de monsters te nemen (bemonsteringsinstrument
L02-01,
L02-02 en
L02-03). Het bemonsteringsinstrument wordt via het luik van de tank tot op de gewenste diepte neergelaten, geopend, in de juiste positie gehouden tot hij vol is en weer opgehaald. U kunt ook een vacuümpomp (bemonsteringsinstrument
L01-01) gebruiken naargelang de viscositeit van de vloeistof en als de diepte waarop het monster moet worden genomen niet meer bedraagt dan 4 m. Neem gelijke hoeveelheden uit de bovenste, middelste en onderste lagen. U kunt ook een bemonsteringsinstrument gebruiken waarmee monsters op meerdere niveaus in de tanks worden genomen. De ondermonsters van alle bemonsteringsplaatsen/-niveaus worden verzameld in een mengvat en grondig gemengd om een
verzamelmonster te maken. Het aantal te nemen ondermonsters hangt af van de hoeveelheid van het te verkrijgen verzamelmonster. Denk eraan dat er onzuiverheden en/of afvalwater op de vloeistof kunnen drijven of op de bodem van de tanks aanwezig kunnen zijn.
1.2 Monsterneming uit schepen of tankschepen/tankbakken en motorvoertuigen
De totale capaciteit van een schip of tankschip/tankbak voor het vervoer van vloeibare vrachten is doorgaans onderverdeeld in een aantal onafhankelijke reservoirs (segmenten, compartimenten), die verschillende groottes kunnen hebben. De monsternemingsprocedures en het samenstellen van verzamelmonsters zijn dezelfde als beschreven voor de monsterneming uit tanks. Uit elk deel van de tank moeten onafhankelijke monsters worden genomen. Als u er zeker van bent dat alle tanks van het vaartuig hetzelfde product bevatten (met dezelfde kwaliteiten), kan voor het hele vaartuig een verzamelmonster worden samengesteld door de ondermonsters uit alle tanks samen te voegen.
Tankwagons en -wagens kunnen worden beschouwd als horizontale cilindertanks. Als u er zeker van bent dat alle compartimenten van een tankwagon of -wagen hetzelfde product bevatten (met dezelfde kwaliteiten), kan voor de hele tanker een verzamelmonster worden samengesteld door de steekproefmonsters uit alle compartimenten samen te voegen. Als het niet mogelijk blijkt om representatieve monsters te nemen van de bovenkant van een tank, moet u de monsterneming tijdens het laden of lossen uitvoeren (bemonsteringsinstrument
L06-01).
Brandstoftanks voor kleine voertuigen worden afzonderlijk bemonsterd.
1.3 Monsterneming uit transportpakketten
De monsterneming kan worden uitgevoerd met behulp van een vacuümpomp (bemonsteringsinstrument
L01-01), verscheidene monsternemingspipetten (bemonsteringsinstrument
L03-01) of ander geschikt bemonsteringsinstrument bijvoorbeeld
L04-01 of
L05-01.
Als er uit slechts één vat monsters moeten worden genomen, moeten de
eindmonsters rechtstreeks vanuit het bemonsteringsinstrument in de monsterhouders worden gegoten. Als er een aantal vaten moet worden bemonsterd en u er zeker van bent dat ze allemaal hetzelfde product bevatten, moet u uit verscheidene vooraf geselecteerde vaten ondermonsters nemen, die dan worden samengevoegd in een houder om het
verzamelmonster samen te stellen.
1.4 Monsterneming van vloeibare brandstof in benzinestations
De monsters moeten rechtstreeks van de benzinepompen worden genomen met behulp van het vulpistool. Voordat u de monsterneming uitvoert, moet u minstens 4 l brandstof in een afzonderlijke houder laten stromen om de leiding van de brandstofpomp te vullen met verse brandstof. De monsterhouders voor de eindmonsters moeten met behulp van een trechter of een verlengbuis rechtstreeks worden gevuld van de brandstofpomp of met behulp van een trechter of een verlengbuis om verdamping van de brandstof te voorkomen. De monsterhouders moeten langzaam worden gevuld om schuimvorming te voorkomen. De monsterhouder mag maximaal voor 80% worden gevuld om uitzetting wegens warmte toe te laten. Naargelang het te bemonsteren type brandstof kunnen de monsterhouders zijn vervaardigd uit metaal, glas of plastic.
1.5 Monsterneming van vloeibare brandstoffen uit de tanks van een motorvoertuig
De monsters moeten met behulp van een sondeachtige bemonsteringsinstrument of een vacuümpomp (bemonsteringsinstrument
L01-01) uit de hals van de brandstoftank worden genomen. De monsters moeten rechtstreeks in de monsterhouders worden gegoten als eindmonsters. Als het niet mogelijk blijkt om een vacuümpomp of een sonde te gebruiken voor de bemonstering, moeten de monsters aan de hand van andere geschikte methoden worden genomen.
1.6 Monsterneming van vloeibare brandstoffen uit de tanks van een motorvoertuig
Het meest representatieve monster van in bulk vervoerde vloeibare producten kan, indien mogelijk, worden verkregen bij het lossen of verplaatsen ervan door de zwaartekracht of door pompen te gebruiken, bijvoorbeeld via bemonsteringsinstrument
L06-01. De monsters moeten tijdens het lossen of laden worden genomen. Er moeten minstens drie basismonsters worden genomen bij het begin, in het midden en bijna op het einde van het lossen of laden, maar u moet rekening houden met de totale hoeveelheid van de zending en de snelheid van de verplaatsing wanneer u het aantal benodigde basismonsters en het tijdsverloop tussen elk monster bepaalt. Het verzamelmonster wordt samengesteld door de basismonsters te mengen. De eindmonsters kunnen worden verkregen uit het verzamelmonster.
2. Monsterneming van vaste stoffen
In deze afdeling wordt beschreven hoe vaste stoffen in de vorm van poeder, grove of fijne deeltjes, korrels en andere vormen die typisch zijn voor bulkgoederen moeten worden bemonsterd. Bulkgoederen kunnen in verpakkingen of los (zonder verpakking) worden vervoerd. Tijdens het vervoer en de opslag kunnen dergelijke producten worden verpakt in balen, zakken van de geschikte grootte enz. Onverpakt kunnen deze goederen worden vervoerd in vaartuigen en vrachtschepen, spoorwagons, vrachtwagens enz. Ze kunnen in silo's en op opslagplatforms worden bewaard.
2.1 Monsterneming van verpakte bulkgoederen
Houd rekening met de verschillende partijnummers of productieperiodes of productiedatums wanneer u monsters neemt. U kunt minder verschillende ondermonsters nemen als de aanduidingen en nummers op alle verpakkingen dezelfde zijn.
Overzicht van de hoeveelheid van de zending en de hoeveelheid van het te nemen monster wordt gespecifieerd in de monsternemingskaart voor het type product. Voor het type product wat geen zelfstandige monsternemingskaart heeft kan de volgende tabel gebruikt worden:
| Aantal verpakkingen | Aantal te openen verpakkingen voor bemonstering | Hoeveelheid basismonster | Hoeveelheid verzamelmonster | Hoeveelheid eindmonster |
| 1-25 | 1 | Max 1 kg | Max 4 kg | 0,5 kg |
| 26-100 | 5 | Max 1 kg | Max 4 kg | 0,5 kg |
| Meer dan 100 | 10 | Max 1 kg | Max 20 kg | 0,5 kg |
Zorg dat de gecontroleerde goederen tot één enkele zending behoren. Als er verscheidene zendingen zijn, moeten deze afzonderlijk worden geïdentificeerd. Controleer of de te bemonsteren goederen uit dezelfde productiepartij komen. Als er verschillende partijen zijn, moeten deze afzonderlijk worden geïdentificeerd. Een verzamelmonster mag enkel worden samengesteld uit verpakkingen die tot dezelfde zending behoren. Er moeten gelijke hoeveelheden ondermonsters worden genomen uit de verschillende verpakkingen voor vervoer die op verschillende posities liggen in het vervoersmiddel of in de opslagplaats. Deze worden verzameld in een mengvat en na grondig mengen wordt een verzamelmonster gevormd, dat vervolgens in porties wordt verdeeld. Deze worden op hun beurt in de monsterhouders gedaan. Het eindmonster wordt verkregen met behulp van het
monsterverdeelschema.
Beschadigde verpakkingen mogen niet worden gebruikt als deel van het verzamelmonster. Deze moeten apart worden gehouden en kunnen, indien nodig, afzonderlijk worden gecontroleerd en gerapporteerd.
Naargelang het product en de vervoerswijze kunnen er verschillende instrumenten worden gebruikt voor de bemonstering: monsterstekers om de verpakking te doorprikken (bemonsteringsinstrument
S01-01), verscheidene zonemonsternemers (bemonsteringsinstrument
S02-01), bemonsteringsscheppen (bemonsteringsinstrument
S03-01) enz.
2.2 Monsterneming van bulkgoederen
In het geval van onverpakt vervoerde bulkgoederen, moeten er gelijke hoeveelheden ondermonsters worden genomen op drie of meer plaatsen van de hele zending. Deze worden verzameld in een mengvat en na grondig mengen wordt er een
verzamelmonster gemaakt. Het eindmonster wordt verkregen met behulp van het
monsterverdeelschema.
Overzicht van de hoeveelheid van de zending en de hoeveelheid van het te nemen monster wordt gespecifieerd in de monsternemingskaart voor elk type product. Voor goederen die geen aparte monsterneminskaart hebben kan de volgende tabel gebruikt worden:
| Hoeveelheid zending [in ton] | Aantal ondermonsters | Hoeveelheid ondermonsters | Hoeveelheid verzamelmonster | Hoeveelheid eindmonster |
| 1-5 | 7 | Max 1 kg | Max 7 kg | 0,5 kg |
| 5-500 | 2 per ton/max 20 | Max 1 kg | Max 20 kg | 0,5 kg |
| Meer dan 500 | Max 40 | Max 1 kg | Max 40 kg | 0,5 kg |
Als bulkgoederen vervoerd worden in wagons of vrachtwagens, worden monsters genomen van elke wagon of compartiment. In dit geval worden specifieke plaatsen voor de monstername gekozen zodat een representatief monster wordt genomen uit alle delen van de zending.
Wagons of vrachtwagens tot 15 ton
– 5 monsternameplaatsen
(1 in het midden en 4 op 0,5 m van de kanten):
Wagons tussen 15 en 30 ton
– 8 monsternameplaatsen
Wagons vanaf 30 ton
– 11 monsternameplaatsen
2.3 Monsterneming van vracht in beweging
Het meest representatieve monster van bulkgoederen kan, indien mogelijk, worden verkregen bij het lossen of verplaatsen ervan middels transportbanden. De monsters moeten tijdens het laden of lossen worden genomen. Er moeten minstens drie ondermonsters worden genomen bij het begin, in het midden en bijna op het einde van het laden of lossen.U moet rekening houden met de totale te lossen of te laden hoeveelheid en de los- c.q. laadsnelheid wanneer u het aantal nodige ondermonsters en het interval tussen elk monster berekent. Het verzamelmonster wordt samengesteld door de ondermonsters te mengen. Het eindmonster wordt verkregen met behulp van het (
monsterverdelingssysteem).
2.4 Monsterneming van producten in verpakkingen, opgemaakt voor de verkoop in het klein (detailhandelsverpakking)
Als
detailhandelsverpakking moet worden beschouwd elke verpakking die specifiek wordt gebruikt voor verkoop aan personen voor huishoudelijk gebruik.
Uit praktische overwegingen is het mogelijk dat u een grotere verpakking moet behandelen als een detailhandelsverpakking, ook al is de verpakking niet als dusdanig ingedeeld volgens de Gecombineerde Nomenclatuur/TARIC.
Dit is met name het geval voor
heterogene producten, waarbij u volledige verpakkingen moet gebruiken om een
representatief monster te verkrijgen.
2.5 Monsterneming van stukgoederen
In het geval van stukgoederen (bijvoorbeeld hout, steen en keramische produkten, stukken of platen gegoten uit metaal, of andere producten zoals elektronica of apparaten) moet u volledige stukken als monster nemen. Als de individuele stukken te groot zijn kunt u een representatief gedeelte wegnemen met geschikt gereedschap (bijvoorbeeld een zaag, bijl of tang) en dit stuk naar het laboratorium sturen ter analyse. Andere grote stukken (zoals metalen buizen of platen) kunnen ter plekke getest worden met een mobiel laboratorium of mobiele apparatuur.
3. Monstername van afval
Bemonstering en analyse van afvalstoffen kan alleen de samenstelling van het afval aantonen. Analyseresultaten kunnen nooit aantonen dat het materiaal ook effectief als afval beschouwd mag worden, bijkomende controle en administratief onderzoek naar de context van de zending zijn nodig om een classificatie als afval te bevestigen.
Het is daarom erg belangrijk het doel van de monstername vast te stellen alvorens hieraan te beginnen:
- Zal het monster gebruikt worden als bewijsstuk?
- Welke regels zouden kunnen worden overtreden?
- Wat kan of moet de analyse van het monster aantonen?
- Zal het monster gebruikt worden als bewijs dat de zending in overtreding is met Verordening (EG) Nr. 1013/2006 aangaande zendingen van afval?
- Zal het bewijs gebruikt worden in de rechtbank?
Voor specifieke milieuaspecten is een meer gedetailleerde monsternameprocedure nodig. Zoek voor deze gevallen de specifieke milieuprocedures rondom monstername op of vraag een expert om advies.
4. Monstername van gassen
Deze afdeling beschrijft de monstername van verschillende chemicaliën en chemische producten in gasvorm. Bedenk echter dat sommige goederen omwille van hun gevaarlijke eigenschappen niet zelf bemonsterd mogen worden. De bemonstering gebeurt dan door gemachtigd personeel (bv. een onderaannemer).
4.1 Monstername van gassen in beweging
Als het product verplaatst wordt via pijpleidingen of andere apparatuur zijn er mogelijk omleidingskleppen of monsternamepunten naast of in de leiding gemonteerd zodat afhankelijk van de doorstroomsnelheid periodiek een monster genomen kan worden. Deze ondermonsters worden gedurende een bepaalde periode bewaard in een gascilinder (
M10 metalen gascilinder) ten behoeve van latere analyse in het laboratorium. Monsters moeten voortdurend genomen worden tijdens het verplaatsen om te verzekeren dat het genomen verzamelmonster representatief is. Welk type sonde u ook gebruikt, het belangrijkste is dat de inlaat van de sonde in het midden van de pijpleiding geplaatst wordt of, indien dit niet mogelijk is, op 1/3 van de diameter van de leiding.
Voorbeelden van sondes voor de monstername uit pijpleidingen (uit EN ISO 3170)
4.2 Monstername uit cilinders en gelijkaardige containers
Wees er van verzekerd dat de goederen afkomstig zijn uit dezelfde zending. Als er meerdere zendingen zijn, moeten ze apart bemonsterd worden. Een ondermonster wordt genomen uit elke willekeurig of systematisch gekozen container uit de gehele zending. Als een monster genomen moet worden van een enkele cilinder moet het monster direct van het monsternameinstrument naar de monsterhouder overgebracht worden (M10 metalen gascilinder). Als verschillende cilinders uit dezelfde partij bemonsterd moeten worden dan worden ondermonsters uit verschillende willekeurige cilinders gecombineerd tot een verzamelmonster.
4.3 Monstername uit tanks
Als een monster uit een enkele tank genomen moet worden dan moet het direct van het bemonsterings instrument naar de monsterhouder overgebracht worden. Indien verschillende tanks waarvan men zeker weet dat ze uit hetzelfde partij komen bemonsterd moeten worden, dan worden ondermonsters uit verschillende willekeurig gekozen tanks gecombineerd tot een verzamelmonster. Deze manier van monstername geeft een representatief monster, maar enkel voor de inhoud op dat bepaalde tijdstip.
4.4 Algemene opmerkingen
De monsternameinstrumenten (
M10 metalen gascilinder) moeten vooraf geconditioneerd worden door te spoelen met het gas dat bemonsterd zal worden. Het aantal te nemen ondermonsters moet overeen gekomen worden met alle betrokken partijen behalve in het geval van continue monstername. Als de samenstelling niet volledig homogeen is, dan kan een statische menger gebruikt worden. De geschiktheid van de gebruikte materialen hangt sterk af van het bemonsterde gas. Over het algemeen wordt roestvrij staal aangeraden. Klepzittingen en afsluitingen moeten uit een geschikt (elastisch) materiaal vervaardigd worden. Voor het bemonsteren van corrosieve gassen kan het beste monsterhouders bekleed met een coating van PTFE of epoxyhars gebruikt worden.
Over het algemeen moeten de materialen die in contact komen met de monsters beschikken over de volgende eigenschappen:
- Ondoordringbaar voor alle gassen;
- Minimale absorptie;
- Chemisch inert voor de stoffen die bemonsterd worden.
De compatibiliteit van verschillende materialen met verschillende gascomponenten wordt weergegeven in de onderstaande tabel:
Materiaal
Gas |
Roestvrij staal |
Al |
Ti |
PTFE |
Polyamide |
Glas |
| Koolstofdioxide | x | x | x | - | x | x |
| Koolstofmonoxide | x | x | x | - | x | x |
| Carbonylsulfide | x | x | x | - | x | x |
| Helium | x | x | x | - | x | x |
| Koolwaterstoffen | x | x | x | - | x | x |
| Waterstof | x | x | x | - | x | x |
| Waterstofsulfide | - | - | x | x | x | x |
| Kwik | - | - | x | - | - | x |
| Methanol | x | x | x | - | - | x |
| Zuurstof | x | x | x | - | - | x |
| Tetrahydrothiofeen | - | - | x | x | x | x |
| Thiolen | - | - | x | x | x | x |
| Water | - | - | x | - | - | x |
Glas is een erg inert materiaal, maar breekbaar en niet veilig voor monstername boven atmosferische druk. PTFE is inert maar kan absorberende eigenschappen hebben. Het is bijvoorbeeld doorlaatbaar voor water, helium en waterstof.
Het hanteren en verpakken van de monsters moet gebeuren in een goed geventileerde ruimte. Indien geen informatie beschikbaar is of de informatie (op het label, gevaarsymbolen, VIB, documenten) verschilt met wat verwacht werd, dan moet het gas als gevaarlijk beschouwd. De monsterhouders moeten vervaardigd zijn uit een materiaal geschikt voor het veilig bewaren van chemicaliën en moeten goed afgesloten worden om lekkage en binnendringen van vocht te vermijden. Monsterhouders moeten schoon zijn en vrij van alle stoffen die het monster zouden kunnen contamineren. Glazen cilinders mogen nooit onder druk gezet worden. De cilinders moeten gelabeld worden met hun volume, druk en testdruk. De cilinders moeten minstens 1,5 keer de werkdruk aankunnen. De monsterhouders en alle benodigde instrumenten moeten periodiek gecontroleerd worden op lekkage. Raadpleeg u tot uw nationale wetgeving en andere richtlijnen aangaande gezondheid en veiligheid.
In het algemeen:
- Maak geen gebruik van een open vlam;
- Niet roken;
- Geen materiaal gebruiken dat vonken kan veroorzaken;
- Gebruik geen motoren met vonkontstekingsmechanismen;
- Gebruik geen materiaal op een temperatuur hoger dan het vlampunt van de gasmengsels;
- Gebruik geen chemicaliën die hevig reageren met gassen;
- Er moet voldoende ventilatie zijn om de vorming van een ontvlambaar luchtmengsel te voorkomen.